| MEDICAMENTEUZE
THERAPIE.
NSAID
– Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs.
NSAID’s zijn symptomatische ontstekingsremmende (anti-inflammatoire),
koortswerende (anti-pyretische) en pijnstillende (analgetische)
medicamenten. Symptomatisch betekent dat het medicament niet het
ziektebeloop beïnvloedt, maar dat het symptomen vermindert,
die het gevolg zijn van de ontsteking.
NSAID’s blokkeren vooral een enzym (cyclo-oxigenase), dat
belangrijk is bij de vorming van stofjes (prostaglandines). Deze
zogenaamde prostaglandines zijn verantwoordelijk voor de symptomen
die voorkomen bij een ontsteking. Daarentegen hebben ze ook een
functionele rol in het lichaam, te weten: maagbescherming, het
regelen van de doorbloeding van de nieren en de vorming van een
stolsel bij het ontstaan van een wondje, etc. De remmende werking
van NSAID’s op de vorming van prostaglandines verklaart
naast haar werking ook de meeste bijwerkingen van deze middelen.
Deze bijwerkingen omvatten:
Veranderingen in het maagdarmkanaal, b.v. kleine wondjes in het
maagslijmvlies. De klachten variëren van milde buikpijn na
het innemen van de medicijnen, tot ernstige buikpijn en maagbloedingen.
Dat kan zich uiten in zwarte ontlasting. Effecten op het maagdarmkanaal
(gastro-intestinale toxiciteit) van NSAID’s bij kinderen
zijn slecht gedocumenteerd. Over het algemeen zijn de verschijnselen
duidelijk minder dan bij volwassenen. Om symptomen te voorkomen
wordt geadviseerd NSAID’s in te nemen met voeding.
Bijwerkingen op de lever kunnen resulteren in licht verhoogde
leverenzymen. Echter deze zijn zelden van enige betekenis, behalve
bij Aspirine gebruik.
Nierproblemen zijn zeldzaam en treden meestal alleen op bij kinderen
met doorgemaakte hartproblemen, lever- of nierziekten.
NSAID’s kunnen de bloedstolling beïnvloeden, maar zijn
meestal niet van enige klinische betekenis, behalve bij kinderen
die reeds een abnormale bloedstolling hebben. Wel kan het lijden
tot snellere vorming van blauwe plekken. Aspirine is een medicament
wat de meeste stollingsproblemen veroorzaakt. Derhalve wordt het
vaak gebruikt bij ziektes met een verhoogde risico op trombose
(vorming van abnormale bloedstolsels in de bloedvaten).
Er zijn verschillende NSAID’s beschikbaar. Naproxen, Ibuprofen
en Diclofenac worden het meest gebruikt. Aspirine daarentegen,
alhoewel het een goedkoop en effectief middel is, wordt weinig
gebruikt vanwege de bijeffecten. Combinaties van verschillende
NSAID’s zijn niet effectief of nuttig. Kinderen kunnen wisselend
reageren op de verschillende NSAID’s wat betreft de werking
en bijwerking. Het switchen van NSAID’s kan zinnig zijn.
Recent is er een nieuwe categorie NSAID’s geïntroduceerd,
COX-2 remmers genaamd. Deze middelen pretenderen minder maag-darmeffecten
te hebben dan de overige NSAID’s met dezelfde therapeutische
werking. COX-2 remmers (Celecoxib, Rofecoxib) zijn veel duurder
dan de overige NSAID’s en er bestaat discussie over de veiligheid
en effectiviteit t.o.v. traditionele NSAID’s bij kinderen.
Hierop bestaat nog geen duidelijk antwoord. De ervaring met kinderen
en het gebruik van deze medicamenten is zeer beperkt.
Ciclosporine
A
Ciclosporine A is een afweeronderdrukkend medicijn (immunosuppressievum).
Aanvankelijk werd het gebruikt om orgaanafstoting te voorkomen
bij patiënten die een transplantatie ondergingen. Het is
een sterke remmer van een groep witte bloedcellen, die een fundamentele
rol spelen in de afweerreactie. Het is in drank- en tabletvorm
verkrijgbaar. Bijwerking zijn veel voorkomend, vooral in hoge
dosering, en vormen vaak een beperkende factor in het gebruik
van dit middel. De bijwerkingen zijn met name: nierbeschadiging,
hoge bloeddruk, leverschade, tandvleeshypertrofie, haargroei over
het gehele lichaam, misselijkheid en braken. Behandeling met Ciclosporine
vereist frequente klinische- en laboratoriumcontroles, om de bijeffecten
te monitoren.
Intraveneuze
immunoglobulines.
Immunoglobuline is een synoniem van antistof. Intraveneuze immunoglobulines
(IVIG) worden gemaakt van grote hoeveelheden plasma van gezonde
bloeddonoren. Plasma is het vloeibare deel van menselijk bloed.
IVIG zijn de behandeling voor kinderen die een tekort hebben aan
antistoffen, t.g.v. een afweerstoornis. In verschillende auto-immuun-
en reumatische ziekten, zijn IVIG effectief gebleken. Het precieze
werkingsmechanisme is nog onduidelijk. De middelen worden toegediend
via intraveneuze infusie (via een ader) en is een veilige therapie
gebleken. Bijwerkingen zijn zeldzaam en bestaan vooral uit allergische
reacties, spierpijn, koorts en hoofdpijn tijdens de toediening.
Hoofdpijn en braken (t.g.v. een prikkeling van de hersenvliezen)
kunnen ongeveer 24 uur na de toediening ontstaan. De bijwerkingen
verdwijnen meestal spontaan. Immunoglobulines zijn vrij van HIV,
hepatitis en vele andere bekende virussen.
Corticosteroïden
(CS).
Corticosteroïden zijn een grote groep van chemische substanties
(hormonen), die worden geproduceerd in het menselijk lichaam.
Dezelfde substanties worden synthetisch gemaakt en worden gebruikt
in vele verschillende situaties. Corticosteroïden die gebruikt
worden bij de behandeling van kinderen met auto-immuunaandoeningen
zijn niet dezelfde als de steroïden die gebruikt worden door
atleten om de prestaties te verbeteren. De volledige naam van
de steroïden die gebruikt worden bij auto-immuunziekten is
Glucocorticoïden, maar de naam corticosteroïden wordt
meestal gebruikt. CS zijn potente, snelwerkende medicijnen, die
de ontsteking onderdrukken door in te grijpen op de afweerreacties
op een zeer complexe manier. Ze worden meestal gebruikt om een
snelle klinische verbetering van de conditie van de patiënt
te bereiken, voordat ander middelen hun werk kunnen verrichten.
Naast de afweeronderdrukkende- en ontstekingsremmende effecten,
zijn CS betrokken in vele processen in het lichaam, te weten:
functie van de hart- en bloedvaten, stressreactie, water- en zoutbalans,
vetmetabolisme, bloeddrukregulatie en vele overige. Naast de therapeutische
effecten zijn er veel bijwerkingen, die geassocieerd zijn met
lange termijneffecten. Het is erg belangrijk dat een kind die
CS gebruikt, onder controle van een kinderarts staat, die vertrouwd
is met de behandeling van de onderliggende ziekte en vertrouwd
is met bijeffecten van de langere termijn, om deze zo minimaal
mogelijk te houden.
Dosering/toedieningsweg:
CS kunnen systemisch gebruikt worden (als drankje, pilletje of
als injectie in een ader) of locaal (injectie in een gewricht
of locaal op de huid). Dosering- en toedieningsweg worden gekozen,
afhankelijk van het onderliggende ziektebeeld en de ernst van
de ziekte van de patiënt. Hogere doseringen, vooral wanneer
deze geïnjecteerd worden, zijn krachtig en werken snel. Tabletten
zijn beschikbaar in verschillende sterktes. Prednison of Prednisolon
wordt het meest gebruikt. Er is geen algemeen geldende regel voor
de dosering van de medicamenten, frequentie van toediening of
toedieningsweg. 1 keer daags (meestal ’s morgens), of een
dosering om de dag, geeft minder bijwerkingen dan 2 tot 3 daagse
dosering. Wellicht is de werking ook minder dan wanneer de dosering
over de dag verdeeld wordt. Soms is toediening meerdere malen
op een dag noodzakelijk, om de ziekte onder controle te krijgen.
In ernstige gevallen wordt de voorkeur gegeven aan hoge dosering
methylprednisolon via een enkele uren durend infuus. Meestal 1
x per dag, enkele dagen achter elkaar. Soms wordt dagelijkse toediening
in kleine hoeveelheden via een injectie gekozen om boven een orale
tablet, om de opname te verbeteren.
Injectie van een langwerkend (depot) corticosteroïd in een
ontstoken gewricht (intra-articulair) is de behandeling van eerste
keus bij artritis. Depot CS (meestal Triamcinolon acetonide of
Hexa-acetonide) bevatten een actieve steroïd substantie,
gebonden aan kleine kristallen, die nadat ze zijn ingespoten in
de gewrichtsholte, zich verspreiden in de binnenste gewrichtoppervlaktes.
CS worden voor een langdurige periode afgegeven, waardoor vaak
een langdurige ontstekingsonderdrukkend effect bewerkstelligd
wordt. Het effect is echter per patiënt erg wisselend, variërend
van enkele weken tot maanden. Eén of meer gewrichten kunnen
gelijktijdig behandeld worden in combinatie met locale verdoving
(verdovingszalf of spray), sedatie (Midazolam) of volledige anesthesie.
Dit is afhankelijk van het aantal te behandelen gewrichten, welk
gewricht is aangedaan en de leeftijd van de patiënt.
Bijwerkingen:
Twee belangrijke soorten bijwerkingen van corticosteroïden
treden op: deze die het gevolg zijn van langdurig gebruik van
hoge doseringen en deze die het gevolg zijn van het stoppen van
de therapie. Wanneer CS achtereen gebruikt worden voor meer dan
1 maand, kunnen ze niet prompt gestopt worden, omdat dit ernstige
problemen kan opleveren. Deze problemen ontstaan doordat door
de toediening van CS eigen aanmaak van noodzakelijke steroïden
onderdrukt wordt. Door de CS stapsgewijs af te bouwen, komt de
eigen aanmaak geleidelijk weer opgang. Na het staken van CS is
de eigen aanmaak van steroïden in het dagelijkse leven voldoende,
echter niet wanneer er sprake is van stress (koorts, operaties,
ongelukken, etc). In deze situaties dient de arts altijd extra
CS toe te dienen om ernstige problemen te voorkomen. Het effect,
evenals het type en de ernst van de bijwerkingen zijn individueel
bepaald en zijn moeilijk te voorspellen. De bijwerkingen zijn
meestal gerelateerd aan de dosering en toedieningsschema. B.v.
dezelfde totale dosis kan meer bijwerkingen geven wanneer het
toegediend wordt in meerdere doseringen per dag, dan dat het gegeven
wordt in 1 enkele ochtenddosering. De belangrijkste bijeffecten
zijn: toegenomen hongergevoel wat moeilijk te controleren is,
resulterend in gewichtstoename en ontwikkelen van striae op de
huid. Een goed gebalanceerd dieet, weinig vet en suiker, met een
hoog vezelgehalte zullen helpen om de gewichtstoename onder controle
te houden.
Acné in het gelaat kan behandeld worden met locale huidcrème.
Slaapproblemen en stemmingsschommelingen en het gevoel van trillerigheid
zijn veel voorkomend. Bij lange termijn steroïdgebruik is
de lengtegroei vaak beperkt.
Afweer tegen infecties kan veranderd zijn, resulterend in meer
frequente en ernstiger infecties. Dit effect is afhankelijk van
de mate van immuunsuppressie. Vooral waterpokken kan een ernstig
beloop geven bij kinderen met een verminderende afweer. Het is
belangrijk om direct contact op te nemen met de dokter indien
het kind de eerste tekenen van waterpokken ontwikkelt. Als uw
kind geen waterpokken heeft gehad en er sprake is van een nauw
contact met iemand die waterpokken heeft of die het snel na het
contact ontwikkelt, is het ook van belang contact op te nemen
met de arts. Soms is het mogelijk om antistoffen tegen waterpokken
in te spuiten of te starten met antivirale medicatie.
Een bijwerking die niet zichtbaar is, maar gediagnostiseerd kan
worden door goede monitoring tijdens de behandeling, is osteoporose.
Osteoporose is het verlies van kalk uit de botten, waardoor de
botten zwakker worden, meer gevoelig voor fracturen. Osteoporose
kan ontdekt en vervolgd worden door speciale techniek, geheten
botdensitometrie. Om botontkalking tegen te gaan, wordt vaak Calcium
en Vit D voorgeschreven.
Bijwerking van CS op het oog zijn cataract en een verhoogde oogboldruk.
Bij een verhoogde bloeddruk (hypertensie) is een beperkte zoutintake
belangrijk. Stijging in het bloedsuikergehalte kan lijden tot
steroïd geïndiceerde diabetes (suikerziekte). Derhalve
wordt ook geadviseerd dieet te volgen met weinig suiker en vet.
Azathioprine.
Azathioprine is een medicament dat de afweer onderdrukt. Het middel
werkt doordat het de productie van DNA verhindert. Vorming van
DNA is een proces dat alle cellen nodig hebben om te delen. De
afweer onderdrukkende werking wordt in feite toe verklaard doordat
het medicament de groei van 1 specifiek soort witte bloedcellen
(lymfocyten) onderdrukt. Azathioprine wordt oraal toegediend.
Alhoewel het over het algemeen beter verdragen wordt dan Ciclofosfamide,
kan het bijwerkingen hebben die nauwkeurige controle vereisen.
Toxiciteit van het maagdarmkanaal (mondzweertjes, misselijkheid,
braken, diarree en maagpijn) is ongewoon. Levertoxiciteit kan
optreden, maar is zeldzaam. Een vermindering van het aantal witte
bloedcellen (leucopenie) wordt soms gezien en is gerelateerd aan
de dosis. Minder frequent voorkomend is daling het aantal bloedplaatjes
of rode bloedcellen. Lange termijn gebruik van Azathioprine kan
theoretisch geassocieerd zijn met een verhoogd risico op kanker,
echter tot dusver zijn bewijzen hiervoor nog niet eenduidig. Zoals
met andere afweeronderdrukkende medicamenten is er tijdens de
behandeling een verhoogd risico op infecties; herpes zoster infecties
in het speciaal, worden gezien in een hogere frequentie bij patiënten
die behandeld worden met Azathioprine.
Cyclofosfamide.
Cyclofosfamide is een medicijn dat de ontsteking remt en het afweersysteem
onderdrukt. De werking bestaat uit het ingrijpen in de celdeling,
met als gevolg een veranderde aanmaak van DNA, waardoor het middel
vooral werkt op die cellen die snel delen (b.v. bloedcellen, haren
en cellen van het maagdarmkanaal). Voor celdeling is aanmaak van
nieuw DNA noodzakelijk. Witte bloedcellen, genaamd lymfocyten,
zijn het meest getroffen door Cyclofosfamide en is de verklaring
voor de onderdrukking van de afweerreactie. Cyclofosfamide werd
voor het eerst gebruikt bij de behandeling van verschillende vormen
van kanker. Binnen de auto-immuun- en reumatologische aandoeningen,
heeft het bij intermitterende therapie (maandelijkse toediening
en door veneuze injecties) heeft het minder bijwerkingen dan bij
kankerpatiënten. Cyclofosfamide kan oraal en intraveneus
toegediend worden. In het laatste geval is het gebruikelijk hoge
doseringen toe te dienen in 4 wekelijkse intervallen. Cyclofosfamide
is een medicament dat de afweer sterk onderdrukt en het heeft
een aantal bijeffecten die nauwkeurige bloedonderzoeken vereisen.
De meest voorkomende bijwerkingen zijn: misselijkheid en braken.
Tijdelijke verdunning van het haar kan optreden. Soms is er sprake
van een fors verlaagd aantal witte bloedcellen of bloedplaatjes,
wat een dosisaanpassing of een tijdelijke onderbreking van de
therapie vereist. Blaasafwijkingen (bloed in de urine) kunnen
optreden met een verhoogd risico op blaaskanker. Deze bijwerking
is meer frequent bij de dagelijkse orale behandeling t.o.v. de
maandelijkse veneuze injecties. Om dit probleem te vermijden wordt
aangeraden veel water te drinken. Langdurige behandeling met Cyclofosfamide
vergroot de kans op fertiliteits problemen en verhoogt het risico
op kanker. Het risico op het optreden van deze 2 bijwerkingen
hangen af van de cumulatieve dosis van het medicament (de totale
dosering) van de patiënt over jaren. Cyclofosfamide onderdrukt
de afweer en vergroot hiermee het risico op infecties, vooral
wanneer het in combinatie toegediend wordt met andere middelen
die de afweer onderdrukken, zoals b.v. hoge dosering corticosteroïden.
Methotrexaat
(MTX).
Methotrexaat is een medicijn dat veel gebruikt wordt bij kinderen
met verschillende aandoeningen. Aanvankelijk is het ontwikkeld
als kankerbehandeling, doordat het middel de celdeling (proliferatie)
vertraagt. Dit effect is met name aanwezig bij hoge doseringen.
In een lage dosering, zoals deze gebruikt wordt bij reumatische
aandoeningen, heeft MTX een ontstekingsremmend effect. Indien
MTX in een lage dosering gebruikt wordt, treden de meeste bijwerkingen,
die gezien worden bij de hoge doseringen, niet op ofwel ze zijn
gemakkelijk te monitoren en te hanteren. MTX is beschikbaar in
2 vormen: tabletten en injectievloeistof, Het wordt 1 keer per
week op een vaste dag toegediend. De wijze van toediening (oraal,
intraveneus of subcutaan) evenals de dosering is afhankelijk van
de conditie en aandoening van de patiënt en wordt door de
behandelend arts vastgesteld. Tabletten worden beter opgenomen,
indien zij voor een maaltijd gegeven worden, bij voorkeur met
veel water. Injecties kunnen vlak onder de huid (subcutaan), vergelijkbaar
met de insuline injecties bij diabetes patiënten, toegediend
worden. Echter inspuiten in een ader of spier behoort ook tot
de mogelijkheden. De injecties hebben als voordeel dat de MTX
beter opgenomen wordt en het minder vaak maagdarmklachten geeft.
MTX-therapie is meestal langdurig. De meeste behandelende artsen
raden aan om de behandeling minimaal 6 tot 12 maanden, nadat de
ziekte onder controle (in remissie) is. De meeste kinderen hebben
weinig bijwerkingen van de MTX. De belangrijkste bijwerkingen
zijn: misselijkheid en maag- darmklachten. Deze kunnen voor een
groot deel ondervangen worden door MTX voor de nacht in te nemen.
Om bijwerkingen enigszins te voorkomen wordt vaak Foliumzuur voorgeschreven.
Soms kunnen patiënten middelen tegen de misselijkheid innemen
voor- en op de dag van de Methotrexaat inname. Ook kan bij misselijkheid
overwogen worden van orale naar b.v. subcutane toediening over
te schakelen. Andere bijwerkingen zijn: ulcera in de mond en minder
voorkomend een huiduitslag. Hoesten en ademhalingsproblemen zijn
zeldzame bijwerkingen bij kinderen. Het effect op het aantal bloedcellen
is vaak mild. Leverschade (leverfibrose) op termijn is zeer zeldzaam
gebleken bij kinderen, mede doordat andere schadelijke factoren
voor de lever, zoals alcoholgebruik, niet aanwezig zijn. Meestal
wordt MTX-therapie onderbroken, indien de leverenzymen gestegen
zijn en kan het middel herstart worden bij normalisering van de
leverwaarden. Reguliere bloedcontroles zijn noodzakelijk tijdens
de MTX-therapie. Alhoewel infectierisico meestal niet verhoogd
zijn bij kinderen die behandeld worden met MTX, kan het beloop
van een infectie ernstig zijn. Vooral waterpokken en gordelroos
zijn infecties die meer voor komen bij MTX gebruik. Indien uw
kind nog geen waterpokken heeft gehad en het in contact komt met
iemand die waterpokken heeft of vlak daarna waterpokken ontwikkelt,
of indien uw kind zelf waterpokken ontwikkelt, is het sterk aan
te raden direct contact op te nemen met uw behandelend arts. Soms
is speciale medicatie noodzakelijk. Indien u twijfelt of uw kind
waterpokken heeft gehad of niet voor het starten van de MTX, dan
is dit gemakkelijk te testen door een simpel bloedonderzoek. Als
uw kind de adolescenten leeftijd bereikt zijn andere overwegingen
van belang. O.a. alcohol gebruik, wat ten sterkste ontraden wordt
omdat het de kans op leverschade van de MTX vergroot. MTX kan
schadelijk zijn voor het ongeboren kind. Het gebruik van anticonceptie
bij jonge patiënten seksueel actief zijn, is sterk aan te
raden.
Hydroxychloroquine.
Hydroxychloroquine werd oorspronkelijk gebruikt voor de behandeling
van malaria. Het is gebleken dat het verschillende processen,
die betrokken zijn bij een ontsteking, beïnvloedt.
Het middel wordt 1 keer per dag als tablet toegediend. Meestal
wordt het goed verdragen. Maagdarmkanaal bijwerkingen kunnen optreden,
maar zijn meestal niet ernstig. Belangrijkste aandachtspunt is
de toxiciteit op het oog. Hydroxychloroquine cumuleert in een
deel van het oog, de retina (regenboogvlies) genaamd, wat langdurig
kan blijven bestaan, ook na onderbreken van de therapie. Deze
veranderingen zijn zeldzaam, maar kunnen blindheid veroorzaken,
ook nadat de medicatie is gestaakt. Dit probleem is extreem zeldzaam
bij lage doseringen. Vroege opsporing van deze complicatie kan
blindheid voorkomen zodra de medicatie wordt gestaakt. Periodieke
oogheelkundige controles zijn geïndiceerd, alhoewel er een
discussie gaande is ten aanzien van de noodzaak en frequentie
van deze controles tijdens Chloroquine gebruik van lage doseringen,
zoals bij reumatische aandoeningen.
Sulfasalazine.
Sulfasalazine is een combinatie van een anti-bacterieel en een
ontstekingsremmend medicijn. Het werd ontwikkeld vele jaren geleden,
toen nog gedacht werd dat reumatoïde artritis op de volwassen
leeftijd te wijten was aan een infectie. Ondanks het feit dat
rationale voor het gebruik van Sulfasalazine niet juist bleek
te zijn, is het middel effectief gebleken in enkele vormen van
artritis, vooral in de groep waarbij chronische darmontsteking
een rol speelt. Sulfasalazine wordt oraal toegediend. Bijwerkingen
zijn veel voorkomend en eisen periodieke bloedcontroles. Bijwerkingen
zijn met name maag-darmbezwaren (verminderde eetlust, misselijkheid,
braken en diarree), allergie met een huidrash, levertoxiciteit,
verminderd aantal circulerende bloedcellen en een daling van serum-immunoglobulineconcentraties
(afweerstoffen). Het middel mag nooit gegeven worden aan kinderen
met een systemische vorm van JIA of SLE-patiënten, omdat
het in deze groep een ernstige opvlamming van de ziekte kan veroorzaken.
Colchicine.
Colchicine is een lang bekend middel. Het wordt gemaakt van gedroogde
zaden van colchicum, genus van de bloeiende planten van de Liliaceae
familie. Het remt de werking en het aantal witte bloedcellen,
met als gevolg remming van de ontsteking. Het wordt oraal toegediend.
De meest bekende bijwerkingen zijn maagdarmkanaal klachten. Diarree,
misselijkheid, braken en soms buikkrampen, welke kunnen verbeteren
op een lactosevrij dieet. Deze bijwerkingen reageren vaak goed
op tijdelijke dosisvermindering. Nadat de bijwerkingen verdwenen
zijn, kan geleidelijk de dosering opgehoogd worden tot het oorspronkelijke
niveau. Soms is er sprake van een verminderd aantal bloedcellen;
hiervoor is periodieke controle van het aantal bloedcellen noodzakelijk.
Spierzwakte (myopathie) kan gezien worden bij patiënten met
nier- en/of leverproblemen. Snel herstel wordt bereikt nadat het
medicament gestaakt wordt. Een ander zeldzame bijwerking is verandering
van de perifere zenuwen (neuropathie). In deze zeldzame gevallen
kan het herstel langzamer zijn. Huiduitslag en haaruitval wordt
soms gezien. Ernstige intoxicaties kunnen optreden bij inname
van hoge hoeveelheden van het medicament. De behandeling van Colchicine-intoxicaties
vereist medische interventie. Geleidelijk herstel wordt meestal
gezien, echter soms kan een overdosering fataal zijn. Ouders dienen
met grote zorg om te gaan met dit medicament en het buiten bereik
van kleine kinderen te houden. Colchicine behandeling in familiaire
mediterrane koorts wordt gecontinueerd gedurende de zwangerschap.
Indien additionele risicofactoren bestaan, dient amniocenthesis
tijdens de 3e en 4e zwangerschapsmaand plaats te vinden. Amniocenthese
is het testen op afwijkende chromosomen door een klein vloeistofmonster
te nemen van het vruchtwater, wat de baby omgeeft.
Anti-TNF
blokkerende middelen.
Tumor necrosis factor (TNF) is een stof (molecuul) dat een belangrijke
rol speelt in het ontstekingsproces. Dankzij de moderne biotechnologie
zijn verschillende medicamenten ontwikkeld die selectief het TNF
blokkeren. Deze middelen omvatten antistoffen tegen TNF (Infliximab
en Adalimumab) en middelen die de TNF receptoren blokkeren (Etanercept).
Etanercept wordt toegediend middels een subcutane injectie; patiënten
evenals familieleden kunnen zelf leren de injecties toe te dienen,
evenals het geval is bij diabetes patiënten.
Locale reacties (rode vlek, jeuk, zwelling) op de injectieplek
kunnen optreden, maar zijn meestal mild en van korte duur. Infliximab
wordt intraveneus (via een ader) in een ziekenhuis toegediend.
Tijdens de toediening kunnen allergische reacties optreden van
mild (kortademigheid, rode huid, jeuk) tot serieuze allergische
reacties met hypotensie (verlaagde bloeddruk) en risico’s
voor shock. Deze allergische reacties komen vaker voor na de eerste
toediening en zijn te wijten aan een afweerreactie van het lichaam,
tegen een klein deel van het medicijn. Dit kleine deel van het
medicijn bestaat namelijk uit muiseiwit. Indien een allergische
reactie is opgetreden, dient de toediening te worden gestaakt.
Adalimumab is vergelijkbaar met Infliximab, echter zonder het
stukje eiwit dat afkomstig is van een muis. Het wordt toegediend
door subcutane injecties. Alle medicamenten hebben een sterk onstekingsremmend
effect, dat voortduurt zolang het middel toegediend wordt. Bijwerkingen
bestaan met name uit een grote infectiegevoeligheid, vooral de
vatbaarheid voor tuberculose is verhoogd. Indien er aanwijzingen
zijn voor ernstige infecties, dient de medicatie te worden onderbroken.
In sommige zeldzame gevallen is de behandeling geassocieerd met
het ontstaan van auto-immuunziekten, anders dan artritis. Er is
tot nu toe geen bewijs dat de behandeling leidt tot een verhoogde
incidentie van kanker. Omdat er nog maar korte ervaring bestaat
met TNF-alfa remmende middelen, ontbreken gegevens over de lange
termijn veiligheid. Deze behandelingsmiddelen worden meestal “biologic
agents” genoemd, omdat ze geproduceerd worden met behulp
van bio-technologieën. Er zijn medicamenten met een soortgelijk
werkingsmechanisme, die niet TNF-alfa maar andere stoffen remmen,
die een rol spelen bij de ontsteking. Bij voorbeeld IL1-receptor
antagonist (Anakinra) en IL6-antistoffen. Deze middelen worden
reeds gebruikt bij enkele volwassen reumatische aandoeningen en
ook op experimentele basis bij kinderen.
Biologic agents zijn allen erg duur.

|